© E-Websolutions.nl

Drie-generaties-buitenspelen

Datum: 27 november 2008
Door: de heer Jan Kersten, Bureau Niche

Over generaties gesproken. Wat was uw favoriete speelplek? Waarom was die favoriet? Wat kon je er doen? Wat was er zo mooi aan? Wat heb je er geleerd? De kans is heel groot dat het voor iedereen hier heel verschillend is. Maar enkele dingen hebben we gemeenschappelijk. Veel van de vanzelfsprekende plekken uit onze jeugd zijn verdwenen. Neem het platteland waar ik zelf vandaan kom. Het stond vol met kinderboerderijen. Er was volop spelaanleiding. Boogschieten met een zelfgemaakte boog, knalbussen maken van vlierenstruiken, vliegers maken en vliegeren op stoppelvelden, zwemmen in de beek met de kleedkamer in de bosjes. Kortom een eindeloos oefenterrein waar maar geen einde aan kwam. Dat platteland is op de schop genomen en is verzakelijkt. De scharrelkippen zijn verdwenen evenals de scharrelkinderen grotendeels verdwenen zijn. Verveling ligt op de loer. Of anders gezegd; de pedagogische kwaliteit van de leefomgeving verschraalt. Hetzelfde speelt natuurlijk ook in de steeds maar toenemende stedelijke omgeving. De gevolgen zijn genoegzaam bekend. Te dik, niet lenig, geen contact met de natuur, geen besef van het landschap, verveling. En wij maar denken dat we het allemaal voor de kinderen doen. Het lijkt wel alsof het achteruit gaat met de kinderen. Allerlei onderzoeken onderbouwen dit vermoeden. Geen wonder dat de adviesraad voor het Landelijke gebied (i.s.m. RNMO) de overheden adviseert om natuur in te zetten voor de gezondheid.

Vanuit de eigen (speciaal)onderwijs praktijk weet ik dat veel problemen lijken op te lossen in de ruimte zodra je met een groep kinderen de natuur in trekt. Bleke meisjes krijgen kleur op de wangen, ADHD ‘ers worden rustig bij gebrek aan prikkels, nette kinderen worden vies en vinden het nog lekker ook. En dan denk ik. Stel dat alle kinderen vanaf zeer jonge leeftijd de kans zouden krijgen om in een uitdagende omgeving met een goede pedagogische begeleiding op de te groeien. Stel dat het voor iedereen die met kinderen werkt de gewoonste zaak van de wereld zou zijn om met de kinderen regelmatig de natuur in te trekken. Stel dat een school het natuuronderwijs buiten uitvoert. Dat de BSO de kinderen na school niet aan het knutselen zet maar buiten aan de slag gaat. Hoeveel problemen zouden we daarmee niet kunnen voorkomen. Problemen die we nu achteraf met allerlei slimme en dure programma’s proberen op te lossen.

Kinderen zijn voortdurend bezig om de omgeving te verkennen met de zintuigen met beweging en uitingen in woord en gebaar. Spelenderwijs proberen ze grip te krijgen op de omgeving. In het spel ligt de basis voor de ontwikkeling van competenties als doorzettingsvermogen, motoriek, veerkracht, kennis, respect voor leven en zelfstandigheid. Het spreekt voor zich dat er op een tegelvlakte minder mogelijkheden zijn dan in een bos. De fysieke omgeving bepaalt voor een groot deel hoe kinderen spelen en wat ze leren. Het is de derde pedagoog. Het is zo jammer dat daar zo weinig rekening mee wordt gehouden in de nieuwbouw van scholen en wijken.

Als baby’s regelmatig buiten onder een boom konden slapen en konden leren kruipen op een heuvel. Als peuters en kleuters eindeloos konden spelen met water en zand. Als kleuters en oudere kinderen hun taal konden ontwikkelen aan de hand van kleuren, geuren, seizoenen en vormenrijkdom van de natuur. Als kinderen in de bomen konden klimmen en heuvels afrennen en rollen. Zou dat niet een enorme pedagogische verrijking zijn? Zou dat niet kinderen opleveren die rustiger, leniger en evenwichtiger zijn met meer zelfvertrouwen. Zou dat niet heel veel kosten besparen in de gezondheidszorg? Ik denk dat ieder van u het antwoord wel weet. De natuur biedt in principe alles wat kinderen nodig hebben. De rest is erbij verzonnen. Ook op scholen en in de kinderopvang is het besef wel aanwezig. Uit een Scandinavisch onderzoek blijkt dat kinderen die dagelijks buitenspelen op alle fronten veel beter scoren dan kinderen die binnen blijven.

Maar dan? Waarom gebeurt er dan zo weinig op dit vlak? Er is al snel een reden gevonden om niets te doen. Te duur. De regels. De ouders. Veiligheid. Verschil in organisatiecultuur en regels. Onderhoud. Nietsdoen wordt door niemand afgestraft. Een onderwijsinspectie kijkt niet naar het speelplein. In de kinderopvang wordt geen ruimte afgekeurd vanwege te weinig uitdaging. Wel iets doen vergt moed, doorzettingsvermogen en vooral samenwerking. De thematiek is niet zo mooi verdeeld als de afdelingen binnen een gemeente of een provincie. Er is een integrale aanpak nodig om stap voor stap hieraan te werken. Er is meer nodig dan een sectorale aanpak vanuit speelbeleid. Verschillende afdelingen en organisaties zullen de handen ineen moeten slaan om dit weer van de grond te krijgen. Bomen en groen in de wijk en bij scholen is ook belangrijk als fijnstofpreventie en ook belangrijk met het oog op klimaatverandering (de pleinen zijn nu al oververhit, zeker met de hoeveelheid rubber en tegels). Een avontuurlijk ingericht schoolplein voorkomt ook conflicten tussen kinderen. Natuurlijke verbindingen binnen een wijk zijn ook belangrijk voor de veiligheid. Bossen en uitloopgebieden bij de bebouwde omgeving is ook belangrijk voor de complete woonkwaliteit. En over de drie generaties gesproken. Wie het goed doet voor kinderen doet het goed voor iedereen. En we zullen veel kwaliteit moeten bieden. Want binnen is er ook steeds meer te beleven voor kinderen. Zaten wij vroeger met de familie de rozenkrans te bidden zo zitten mijn kinderen achter de laptop. Het aanbod van binnenhuis avontuur is immens toegenomen. De hebzucht stijgt in deze tijd tot grote hoogte.
Reden te meer om de lat niet te laag te leggen bij het opzetten van natuurlijk spelen. Er moet gewerkt worden aan een duurzaam natuurlijk buitenaanbod. Provincies en gemeentes kunnen het voortouw nemen. Ik pleit voor natuurlijke ankerplekken binnen bereik van alle kinderen van 0-85 jaar.

Gelukkig zijn er ook steeds meer initiatieven en is er ook steeds meer samenwerking. Zoals in de gemeente Arnhem waar RO samen optrekt met de afdeling spelen en groen. Zoals in de gemeente Apeldoorn waar alle speelplekken worden getransformeerd tot natuurlijke speelplekken. Zoals in Rotterdam waar steeds meer natuurspeelplaatsen worden opgezet. Zoals een Jantje Beton dat samenwerkt met Staatsbosbeheer. Zoals Staatsbosbeheer dat 50 tot 60 speelbossen wil realiseren de komende jaren. Zoals de ommetjes die overal in en om de dorpen worden opgezet. Zoals een landschapsveiling waarbij bedrijven landschapselementen kopen. Allemaal coalities met perspectief.

Onder werktitel Cool Nature gaat de Provincie Gelderland zes praktijkvoorbeelden ondersteunen waarbij bewegen, spelen en leren in een natuurlijke omgeving centraal staan. We zijn op zoek gegaan naar potentiële gebieden en partners om in 2009 te starten met het inrichten van ‘groene klas- en speellokalen’. Plekken waar scholen naartoe kunnen en waar de buurt naartoe kan. Plekken ook met een ecologische en cultuurhistorische rijkdom. Er is erg veel belangstelling in de praktijk om hieraan mee te werken.

Natuurlijk spelen
Centraal in natuurlijk spelen. Het spel wordt niet bedacht. Er wordt een rijke omgeving aangereikt die uitnodigt tot verschillende soorten spel. Dat varieert van fantasiespel tot het maken van constructies en van bewegen en rennen tot en met klimmen in bomen. Ieder kind vindt er wel iets wat hem uitdaagt. De een klimt in een boom en de ander vangt insecten. Een toestel heeft meestal een vooropgezette bedoeling hoe er mee gespeeld dient te worden. Ander verschil met een toestellenplek is dat de omgeving ook ontstresst. We maken een indeling tussen prima locaties (schoolpleinen, kinderopvang, PSZ), top locaties (wijkspeeltuinen) en sterlocaties (aan de stads- dorpsrand).

 


.......