© E-Websolutions.nl

Sporten in de traditionele speeltuin

Datum: 27 november 2008
Door: de heer Erik Spiegelenberg, Marketing manager Nijha b.v. en vankdocent bewegingsonderwijs

Om een goed beeld te krijgen of en hoe sporten past op een speelplek is het belangrijk te weten wat het verschil is tussen sporten en spelen. Van Dale geeft de volgende beschrijving:
Spelen
1 plezier hebben
2 zich bezighouden met een spel zonder zich bijzonder in te spannen
Sport
...geheel van activiteiten erop gericht om prestaties d.m.v. training en wedstrijden te verbeteren Uit deze beschrijvingen blijkt dat de intentie van gebruikers bepalend is of zij spelen of sporten.

Waarom wordt er nog niet op elke speelplek gesport?
Daarvoor zijn een aantal redenen:
• Ruimte – de ruimte is onvoldoende groot, er is een keuze gemaakt voor alleen spelen.
• Doelgroep – bij de doelgroep past geen sport (speelplek gericht op jonge kinderen).
• Sporten elders in de wijk – op korte afstand van de speelplek is al een ruimte om te sporten.
• Bij ontwikkeling speelplek andere leeftijdsopbouw – de bevolking in de wijk past niet meer bij de speelplek. De kinderen zijn opgegroeid maar het aanbod in de speelplek is gelijk gebleven.
• Wetgeving rond speeltoestellen – een sporttoestel in de nabijheid van een speeltoestel valt onder de speeltoestellen wetgeving. Dat maakt sommige beheerders huiverig om sporttoestellen toe te passen op speelplekken.
• Niet over nagedacht – misschien wel het meest voorkomend ... er is gewoon niet nagedacht over sportmogelijkheden op een speelplek.

Kansen
Er liggen veel kansen om speelplekken om te bouwen tot beweegplekken – ruimten waar meer mogelijk is dan alleen spelen.
• Bewegen is hot – kinderen worden steeds dikker. Bewegen als middel om hier iets aan te doen is algemeen geaccepteerd
• Integraal beweegbeleid – door speelruimtebeleid niet los te zien van bijvoorbeeld het sportbeleid ontstaat er een breder beleidsterrein. De invulling van speelplekken wordt dan vanuit een hele andere optiek bekeken dan wanneer dit alleen vanuit speelruimtebeleid komt.
• Speelplekoverschrijdend kijken – een speelplek staat niet op zich maar maakt onderdeel uit van een omgeving, een wijk. Door breder te kijken dan alleen het grasveld waarop speeltoestellen staan, ontstaan nieuwe mogelijkheden, ook voor sportactiviteiten.

Partners
Bij het ontwikkelen van een speelplek wordt al snel gekeken naar de gemeente. Maar er zijn meer partners die een actieve rol kunnen spelen bij het ontwikkelen van een eigentijdse beweegplek waarin zowel gespeeld als gesport kan worden. Daarbij valt te denken aan:
• Woningbouw corporaties
• Projectontwikkelaars
• Onderwijs (brede school)
• Sportbuurtwerker
• Buurt – maatschappelijk draagvlak voor een beweegplek is onontbeerlijk!
Om hier optimaal invulling aan te geven is het wel belangrijk dat er één partij is die de regie voert. Het meest logisch lijkt dit de (lokale) overheid te zijn.

Hoe sport inbedden in een speelplek?
Bij het ontwikkelen van een nieuwe beweegplek kan sport makkelijker ingebed worden dan op een bestaande speelplek. In beide gevallen zullen er echter keuzen gemaakt moeten worden:
• Voor wie is de beweegplek – kinderen van 6 jaar sporten op een hele andere manier dan kinderen van 12 jaar. Daarop zullen ruimte en (sport) toestellen aangepast moeten worden.
• Welke functie – een speelplek staat niet op zich. Kijk ook naar de mogelijkheden die er al zijn in de omgeving om sporten vorm te geven. Als die er zijn, dan kan de inrichting van de beweegplek daarop afgestemd worden (en vergeet ook niet de weg van en naar de beweegplek).
• Welke ruimteverdeling (zonering) is nodig – de leeftijd van de gebruikers van de beweegruimte bepaalt voor een groot deel de indeling van het terrein. Om te voorkomen dat spel verstoord wordt door sporters, kan er gekozen worden voor een visuele zonering (gekleurde vlakken, afrastering, speelbestendig groen, enz).
• Welke sport vraagt welke ondergrond – basketballen op gras is lastig. Vergeet bij het aanbod de ondergrond dan ook niet (niet in de laatste plaats vanuit de optiek van investering en exploitatie).
• “Houdbaarheid” voorzieningen – over hoeveel jaar worden de voorzieningen afgeschreven. De leeftijdsopbouw in een wijk verandert vaak sneller dan de voorzieningen op speelplekken. Het bekorten van afschrijftermijnen is een optie, maar er kan ook een actief verplaatsbeleid opgezet worden. Bijkomend voordeel daarvan is dat een speelplek regelmatig “nieuw” wordt voor de gebruikers.
• Begeleiding & sport- en spelmateriaal – op een speelplek komen kinderen om te spelen. Als er ook sportmogelijkheden komen, dan verandert de intentie waarmee kinderen komen. Zeker bij oudere kinderen is er de behoefte aan een wedstrijdelement maar ze willen ook beter worden. Om hier optimaal invulling aan te geven is begeleiding op zo’n plek wenselijk.
• Trends – fietscrossen, skaten, panna, Mexicaans voetbal, boomklimmen, ... Hoever wil je gaan om op de beweegplek ruimte te bieden voor dit soort trends. Het vraagt om een heldere keuze! Alleen een stuk grond vrijlaten voor trendactiviteiten leidt vaak tot een verwilderd stuk terrein waar niemand zich thuis voelt. Misschien zijn sommige kinderen teleurgesteld als hun sport niet mogelijk is op de nieuwe beweegplek. Maar het is wel helder en voorkomt discussie achteraf.

Conclusie
Er liggen dus veel kansen om een beweegplek meer te laten zijn dan een terrein met speeltoestellen. Maatschappelijke ontwikkelingen bieden veel draagvlak maar ook de overheid komt met stimuleringsmaatregelen. Het is een kwestie van je hard maken voor beweegruimten voor kinderen (maar sluit vooraal volwassenen niet uit!) en actie ondernemen.
Binnen het onderwijs komen combinatiefunctionarissen. Deze vormen op het gebied van bewegen de schakel tussen de school en de vereniging. Doel is om kinderen ook na schooltijd een beweegaanbod te bieden waardoor ze structureel meer gaan bewegen. Door de vereniging hier actief bij te betrekken is de hoop dat dit de vereniging leden oplevert. Door niet alleen de vereniging maar ook de sportbuurtwerker erbij te betrekken, kan de beweegplek ook bij de activiteiten betrokken worden.
Kinderen krijgen dan tips hoe ze de materialen kunnen gebruiken en welke sportvormen er mogelijk zijn en vervolgens kunnen ze dit in hun vrije tijd verder ontwikkelen.
Kortom: de kansen zijn er – grijp ze!

 


.......